top of page

L'UE n'a pas besoin d’imiter la politique industrielle américaine

Il vaut mieux que l'Union européenne soit intelligente en matière d'investissements que forte en politique de subventions face à la politique de subventions protectionniste des États-Unis



We voeren oorlog over de integriteit van naties in de 21ste eeuw, de wereld drijft uiteen tussen democratie en autocratie, China en Rusland contesteren de internationale rechtsorde, klimaatopwarming en verlies aan biodiversiteit kwellen onze planeet, in de ruimte dreigt een economische en militaire jungle, technologie en artificiële intelligentie trekken aan de grenzen van mens en maatschappij. Wat moeten Europa en de Verenigde Staten – de twee democratische grootmachten van onze tijd – dan doen?


Ik heb geen pasklaar antwoord. Maar ik weet wel wat Europa en Amerika niet zouden moeten doen: elkaar bekampen met wederzijds nationalisme. Dat dreigt te gebeuren nu Europa wordt opgezweept door een paniekgolf over de impact van de Amerikaanse Inflation Reduction Act die met een wortel van 369 miljard dollar investeringen in duurzame industrie richting Amerika lokt. Een Europese top volgende week moet Amerika van antwoord bieden, op aandrang van de grootindustrie en enkele grotere lidstaten die dorsten naar staatsplannen, Frankrijk op kop.


Ik deel de bekommernis. Een grote markt, grote overheidssteun, veel ruimte, lage kosten: het is een verleidelijke combinatie. Maar ze is niet nieuw. Tot voor kort waren dat de troeven van China. Nu zijn dat de troeven van Amerika, inclusief energiekosten die een fractie zijn van de Europese. Tot voor kort zagen we investeringen van westerse bedrijven in China als een mondiale win-win-win: goed voor Chinese banen en inkomens, goed voor de westerse consumenten van in China gemaakte producten en uiteindelijk ook goed voor de westerse bedrijven en hun werknemers die aan de Chinese consumenten kunnen verkopen.


Dat heette globalisering en ze ging gepaard met een historische periode van algemene vooruitgang en welvaartsgroei, ook bij ons. Concurrentie was niet altijd fijn, niet altijd fair, maar ze was geen zero som: we konden specialiseren, innoveren en blijven groeien, ondanks de keerzijde van desindustrialisatie. Dat Amerika miljarden veil heeft voor groene technologie die in Amerika wordt gemaakt, hoeft ook geen zero som te zijn. De jaarlijkse investeringsbehoeften voor de energietransitie zijn daarmee lang niet uitgeput. Bedrijven die van de Amerikaanse subsidies profiteren, kunnen ook nog in Europa investeren, misschien zelfs mede dankzij hun Amerikaans succes.


Daarmee heb ik niet gezegd dat we het Amerikaanse economisch nationalisme moeten ondergaan. Ik ben bevreesd dat Amerika met oneerlijke concurrentie de fundamenten van nieuwe industrie en de waardeketens van de toekomst naar zich zal toetrekken. Maar als dat gebeurt, zal dat niet louter aan enkele miljarden overheidssteun voor deze of gene gigafabriek gelegen zijn. Als dat gebeurt, zal dat zijn omdat de brede economische toekomst van de Verenigde Staten en het algemene klimaat voor onderzoek, ontwikkeling, investering en productie daar structureel aantrekkelijker zijn dan in Europa.


Europa moet dus niet meteen in subsidie-imitatie vervallen. Onze eerste prioriteit zou eenheid met Amerika moeten zijn, omdat we elkaar mondiaal nodig hebben. Als we elkaar moeten beconcurreren, dan liever met creativiteit dan met geld, met competitiviteit in plaats van met subsidies. En als het niet anders kan, dan moeten we zoals Amerika ons geld gericht op concrete investeringen focussen. Daarvoor hebben we het platform van projecten van gemeenschappelijk Europees belang. Dat laat toe belastingmiddelen te focussen op transnationale investeringsprojecten: veel beter dan pan-Europees subsidiebeleid dat binnen Europa het subsidie-opbod zou ontketenen dat wij nu juist aan de Amerikanen verwijten. Daarin wordt ook ons land gegarandeerd bluts beconcurreerd. Europa moet niet subsidiesterk maar investeringsslim zijn.

Trends 02.02.2023

Comments


Terug
bottom of page