top of page

Tranchez le le noeud salarial!

Het is wel degelijk mogelijk om meer koopkracht met concurrentiekracht te verbinden: aan de slag!

Het was hommeles in Duitsland. IG Metall, de machtige metaalvakbond, eiste er 8 procent loonsverhoging. IG Metall geldt als een barometer voor de hele Duitse industrie, die in koor protesteert wegens de dreigende recessie en de torenhoge energiekosten. Even leek het conflict te escaleren, maar uiteindelijk is een compromis gevonden: 5,2 procent in juni 2023 en 3,3 procent in mei 2024.


Over naar België waar de vakbonden protesteren omdat de Loonnormwet geen loonsverhogingen toestaat boven de indexeringen die voor 2022-24 al fors boven de 20 procent gaan. Automatische loonindexering doet onze concurrentiekracht ontsporen. Daarenboven verlegt ze de druk voor koopkracht van de politiek naar het bedrijfsleven. In vergelijking met België besteden onze buurlanden een veelvoud aan koopkrachtmaatregelen met belastingen of schulden. Onze lamentabele begrotingssituatie zou helemaal imploderen, mocht ook hier de overheid als koopkrachtbuffer moeten optreden.


Twintig jaar loonmatiging en concurrentieherstel verdampen nu voor onze ogen. Als de Loonnormwet blijft, volgen nog lange jaren van inhalen met nul loonmarge boven de indexering. De bodem van de geïndexeerde minimumlonen botst tegen het plafond van het maximumloon en verplettert elk loonoverleg. Ik begrijp de frustratie van de vakbonden. Tegelijkertijd is het onverantwoord en asociaal loonsverhogingen te eisen die de ruggengraat van ons economisch en industrieel weefsel kraken. Kunnen we die impasse doorbreken?


In loonlasten bovenop het nettoloon blijft België absolute wereldtop. Als onderdeel van een fiscale hervorming kunnen de lasten of belastingen op arbeid omlaag. Bij voorkeur lineair en met eliminatie van koterijen loonvoordelen met speciale (para-)fiscale behandeling, cheques en wagens voorop. Allemaal complexiteit met veel overhead en neveneffecten, die koopkrachtmarge opvreet.


België is ook internationale top in minimumloon. We kennen geen segment van lage lonen, tenzij opnieuw met speciale statuten of subsidies, zoals de dienstencheques en de flexijobs. Vereenvoudig, verlaag de opstap naar werk met een tijdelijk lager minimumloon voor instromers, koppel daaraan ondersteuning voor opleiding en doorstromen, zorg ervoor dat de uitkeringen daarin opgaan en activeren en ziedaar: je hebt een brede springplank die werkkansen maximaliseert voor starters met minder opleiding of lage productiviteit. Een loopbaan is de beste garantie op koopkracht.


België kent enorme verschillen in productiviteit en arbeidsmarktrealiteit, tussen de regio’s, tussen sectoren en tussen bedrijven. Die worden dichtgesmeerd door een carcan van collectief loonoverleg, te beginnen bij de loonnorm. Er is te weinig loonspanning tussen Vlaanderen en Wallonië, tussen hoogproductieve en laagproductieve arbeid. In Wallonië zijn de Belgische minimumlonen vaak te hoog voor het aantrekken van investeringen en relance. In Vlaanderen zijn ze soms te laag voor de talenten-schaarste en de productiviteit.


Omgekeerd is er te veel loonspanning tussen ouderen en jongeren, omdat meer anciënniteit hier sowieso meer loon geeft. Participatie in resultaten, zijnde de aanpassing van lonen aan winst of verlies, is dan weer onderontwikkeld. Winstparticipatie kan maar is complex en beperkt. Lonen tijdelijk verlagen ingeval van bedrijfsnood botst met gestandaardiseerde minimumlonen.


Het is dus wel degelijk mogelijk om meer koopkracht met concurrentiekracht te verbinden, op voorwaarde dat we de hele loonknoop ontwarren. Per saldo betekent dat zowel meer loonvariatie naar boven of naar beneden, meer bottom-up loonflexibiliteit, bovenop of beneden de index. Zolang we zweren bij gelijke top-down collectieve loonontwikkeling voor iedereen, zitten we muurvast. Is het sociaal overleg in staat zichzelf uit de loonknoop te bevrijden? Helaas lijkt deze vraag retorisch.


Verschenen in Trends van 3.11.2022

Comments


Terug
bottom of page